1. Bepaal het verschijnsel: schommelend display of te hoog totaal?
Dit zijn verschillende problemen. De actuele waarde kan schommelen terwijl het opgetelde verbruik correct blijft. Loopt het totaal sneller op dan het werkelijke brandstofgebruik, probeer dit dan niet met een langere middeling te verbergen.
Noteer aanvoerdebiet, retourdebiet, nettoresultaat en de stijging van het opgetelde verbruik afzonderlijk. Noteer ook toerental, belasting, duur van de constante test en of het systeem koud was, opwarmde of op normale bedrijfstemperatuur was. Leg tevens vast of de waarde stationair te hoog is, bij hoger toerental aannemelijker wordt of onder nul zakt.
2. Waarom is differentiaalmeting gevoelig voor pulsatie?
Bij een gebruikelijke diesel met retourleiding meet één sensor alle brandstof naar de motor en een tweede de brandstof die naar de tank terugstroomt. De computer berekent:
nettoverbruik = aanvoerdebiet − retourdebiet
Beide stromen kunnen veel groter zijn dan het nettoverbruik. In het voorbeeld 60 l/u − 52 l/u = 8 l/u verandert een afwijking van slechts 1 l/u in één kanaal het nettoresultaat met 12,5%. Dit is een rekenkundig voorbeeld en geen nauwkeurigheidsspecificatie van de FS-40. Het toont waarom de relatieve meetafwijking bij lage belasting groter wordt.
De FS-40 is een turbinesensor: beweging van de rotor genereert pulsen, maar het pulssignaal geeft de bewegingsrichting niet aan. Pulsatie of kortstondige terugstroming kan de rotor opnieuw bewegen en extra pulsen veroorzaken die als debiet worden geteld. Daardoor wordt de meting van het getroffen kanaal te hoog. Extra pulsen in de aanvoer kunnen netto- en totaalverbruik verhogen; extra pulsen in de retour kunnen deze verlagen of tijdelijk negatieve waarden veroorzaken. Pulseren beide leidingen, dan hangt het effect af van het verschil tussen beide. Luchtbellen kunnen beide meetkanalen verder verstoren.
- Een kleine beweging op het display bij een correct totaal kan het gevolg zijn van normale lastveranderingen of het gedrag van de regelaar.
- Pulsatie met tijdelijke omkering kan extra pulsen toevoegen en ook het opgetelde verbruik veranderen.
- Lucht of schuim verandert de omstandigheden van volumemeting; verwijder de oorzaak van luchtinlaat of schuimvorming.
Voor één dieselmotor met retourleiding zijn twee sensoren nodig; voor twee zulke motoren vier, als twee onafhankelijke paren voor aanvoer en retour. De gids over dieselmeting en sensorkeuze legt het principe uitvoerig uit.
3. Controleer de kanaalconfiguratie en het bereik van elke sensor
- Controleer de dieselmodus en het juiste aantal actieve sensoren.
- Bepaal de aanvoer- en retourkanalen; controleer bij twee motoren beide paren afzonderlijk.
- Vergelijk de exacte uitvoering van de FS-40-sensor in elke leiding met de configuratie van het apparaat.
- Controleer of minimum- en maximumbereik het volledige debiet in die specifieke leiding omvatten.
Is de pompcapaciteit onbekend, leid deze dan niet af uit het motorvermogen of een stationaire meting. Noteer de exacte motor- en pompmodellen en bevestig de maatvoering aan de hand van fabrikantgegevens of met Flowtrecs.
4. Sluit montagefouten, trillingen, lekkage en lucht uit
- De pijl op elke sensor moet in de werkelijke stromingsrichting van zijn leiding wijzen.
- Monteer de sensor horizontaal met TOP SIDE boven, zonder spanning van slangen of overmatige trillingen.
- Alle brandstof die aan de aanvoerzijde wordt geteld maar niet wordt verbrand, moet door de retoursensor terugstromen; controleer injectorlekleidingen, regelaar, koeler, bypasses en tankkranen.
- De positie ten opzichte van pomp en filter moet voldoen aan de actuele instructies van Flowtrecs en de motorfabrikant en aan eventuele installatiespecifieke eisen.
- Verbindingen moeten lekvrij zijn, het filter vrij, de sensoren gevuld met brandstof en de slangen vrij van knikken en plaatsen die lucht kunnen aanzuigen.
- Vul en ontlucht het systeem volledig volgens de procedure van de motorfabrikant.
Improviseer niet met transparante slang, een luchtzak of een omgekeerd filter. Neem ook geen filterfijnheid, slanglengte of sensorpositie over uit instructies van een andere fabrikant; verschillende technologieën kunnen tegengestelde eisen stellen. Moet lucht rechtstreeks worden waargenomen, laat een vakbekwame servicemonteur dan een goedgekeurde, veilige methode gebruiken. De volledige controlelijst staat in de gids over de montage van een FS-40-sensor.
5. Vergelijk de kanalen bij meerdere constante belastingen
Beoordeel de installatie niet alleen stationair. Voer onder veilige, door de fabrikant toegestane omstandigheden en met een verantwoordelijke bediener aan het roer korte, herhaalbare controles uit bij meerdere constante toerentallen en belastingen. Noteer bij elk punt aanvoer, retour, netto en de toename van het totaal.
| Waarneming | Eerste controles |
|---|---|
| Slechts één kanaal is instabiel | Die leiding, lucht, trillingen, sensor, kabel en ingangskanaal |
| Netto is stationair te hoog maar onder belasting aannemelijker | Pulsatie of terugstroming, de ondergrens van het sensorbereik en pompgedrag; kalibreer niet op stationair |
| Netto wordt soms negatief | Kanaaltoewijzing, sensorpijlen, ongelijke pulsatie in beide leidingen en invloed van warme retourbrandstof |
| Het resultaat verandert vooral tijdens opwarmen terwijl beide kanalen stabiel zijn | Temperatuurverschil tussen aanvoer en retour en of elke retourtak binnen de meetgrens valt; Flowtrecs compenseert niet voor temperatuur |
| Beide kanalen lijken aannemelijk maar netto blijft onjuist | Bereiken, fabriekskalibratie, vergroting van meetafwijkingen door aftrekking, een ongemeten aftakking en een langere controle van het totaalverbruik |
| Het display schommelt maar het totaal blijft correct | Overweeg pas na uitsluiting van storingen de middeling die voor dit model is beschreven |
| Het totaal stijgt te snel hoewel het display rustiger is | Lucht, terugstroming, pomppulsatie, bereik en configuratie; middeling verwijdert de oorzaak niet |
Kan het apparaat de afzonderlijke kanalen weergeven, bewaar dan foto's of een korte video waarop beide waarden tegelijk zichtbaar zijn. Alleen de nettowaarde bevat minder diagnose-informatie.
6. Zoek de bron zonder het brandstofsysteem onnodig te openen
Controleer eerst de markeringen, de staat van de kabels en zichtbare stekkers zonder het brandstofsysteem te openen. Controleer elektrische aansluitingen met motor en apparaat uitgeschakeld, volgens de instructies van het exacte model.
Blijft de oorzaak onduidelijk, stuur Flowtrecs dan een registratie van beide kanaalwaarden en foto's van de installatie. Het gedrag van de meetwaarden na het omsteken van kabels alleen bepaalt niet of de oorzaak bij de sensor, bedrading, apparaatingang of brandstofstroming in de leiding ligt.
Laat het vergelijken van ingangen en eventueel verwisselen van sensoren over aan een vakbekwame servicemonteur, nadat Flowtrecs de geschiktheid en een veilige procedure heeft bevestigd. Wissel kanalen of sensoren niet bij wijze van proef.
7. Terugslagklep, pulsatiedemper en middeling: wanneer helpen ze?
In Flowtrecs-instructies staat dat de staat en het gedrag van een opvoerpomp of injectoren in sommige installaties een extra terugslagklep of pulsatiebeheersing nodig kunnen maken. Dit betekent niet dat elke diesel zo'n onderdeel nodig heeft.
Andere fabrikanten gebruiken andere oplossingen: sensoren die kortstondige terugstroming herkennen, op elkaar afgestemde debietmeterparen, temperatuurmeting of speciale dempers. De vereiste montageplaats, filtering en slanggeometrie zijn specifiek voor elke technologie en kunnen niet rechtstreeks op de FS-40 worden toegepast.
Middeling verschilt per model. Zij kan een geldige maar pulserende displaywaarde stabiliseren, maar kan extra pulsen niet annuleren en corrigeert geen luchtinlaat, verkeerd bereik of te hoog opgeteld totaal. Is het totaal onjuist, ga dan terug naar de hydraulische diagnose in plaats van de middeling of kalibratiecorrectie te verhogen.
8. Kalibreer pas na het verhelpen van de oorzaak en bereid servicegegevens voor
Sensoren zijn in de fabriek gekalibreerd. Een gebruikerscorrectie verschilt per model en is niet op elk apparaat beschikbaar. Overweeg deze pas wanneer het systeem lekvrij en volledig ontlucht is, herhaalbare metingen geeft en een controle van het totaalverbruik de afwijking bevestigt. Kalibreren terwijl pulsatie, lucht of een veranderend temperatuureffect aanwezig is, kan één bedrijfspunt verbeteren en andere verslechteren.
Vul de tank voor een totaalcontrole tot een reproduceerbaar peil, zet de vaartteller op nul, gebruik tijdens normaal bedrijf een betekenisvolle hoeveelheid brandstof en vul daarna dezelfde tank bij vergelijkbare trim tot hetzelfde peil. Brandstofoverheveling, andere verbruikers of een afwijkend vulniveau maken de vergelijking ongeldig. Test niet met een open reservoir en koppel de retourleiding niet los.
Voeg bij een serviceaanvraag het volgende toe:
- apparaatmodel, softwareversie en exacte sensoruitvoeringen;
- modellen van motor, inspuitsysteem en pomp plus een volledig schema van aanvoer, lekleidingen en retour;
- minimale en maximale bedrijfsdebieten en drukgrenzen voor beide leidingen;
- waarden voor aanvoer, retour, netto en totaal bij meerdere constante toerentallen onder veilige belasting, inclusief opwarmstatus;
- werkelijk gebruikte hoeveelheid brandstof en de meetmethode;
- foto's van sensorrichting, montagepositie en aansluitingen plus een video van het verschijnsel;
- reeds uitgevoerde controles; als een servicemonteur afgesproken wisseltests heeft uitgevoerd, voeg dan diens beschrijving van de resultaten en waarnemingen toe.
De algemene controles en voorzichtige correctieregels staan in Flowtrecs kalibreren en storingen opsporen.